Piet Paaltjens

François Haverschmidt werd geboren te Leeuwarden, als zoon van de apotheker en wijnhandelaar Nicolaas Theodorus Haverschmidt en Geeske Bekius. Haverschmidt studeerde theologie in Leiden, waar hij woonde aan de Hogewoerd 63. Hij huurde kamers op de eerste verdieping in het pand waarvan de begane grond bewoond werd door een doodbidder die later in een van zijn gedichten figureerde in een morbide voorspellende rol: Als ik een bidder zie loopen,/ Dan slaat mij ‘t hart zoo blij,/ Dan denk ik, hoe hij weldra/ Uit bidden zal gaan voor mij.

De schrijfwijze van de naam HaverSchmidt in wat men tegenwoordig camelcase zou noemen, is destijds al bedacht. Haver en Schmidt zijn eigenlijk twee afzonderlijke namen. De overgrootvader van Piet Paaltjens heette Haver. Diens zoon werd opgevoed door een oom met de achternaam Schmidt. Uit dank voegde hij Schmidt achter Haver, met als resultaat Haverschmidt (ook wel als HaverSchmidt geschreven).[1]

Bekendste werk

Omslag van de zesde druk van Snikken en grimlachjes
Zijn bekendste bundel is Snikken en grimlachjes uit 1867, die op een wrang-ironische manier een beeld geeft van zijn leven als student in een zeldzame vorm van cynische romantiek. Piet Paaltjens wordt in deze bundel door middel van een mystificatie opgevoerd: de schrijver geeft in de inleiding een levensgeschiedenis van de student-dichter Paaltjens tot zijn verdwijning uit Leiden ‘op den 9 oktober 1853’. Haverschmidt bestreed in dit boekje zijn neiging tot depressiviteit door het sentimentalisme in zijn poëzie belachelijk te maken.

Predikant
Als predikant werkte Haverschmidt achtereenvolgens in Foudgum, Raard, Den Helder en Schiedam. In Tiel, op de bruiloft van zijn goede vriend Adrianus van Wessem, ontmoette hij Jacoba Johanna Maria Osti met wie hij in 1863 trouwde. Zijn breuk met het zorgeloze studentenleven en de vaak uitzichtloze situaties in levensomstandigheden van zijn kerkgangers maakten dat zijn sombere aard zich versterkte en hij ging lijden aan depressies. Het overlijden van zijn echtgenote in 1891 was mede de aanleiding om zich (een paar jaar later) in de bedstee op te hangen met een koord. Hij had zich eindelijk, zoals biograaf Nieuwenhuys het zou beschrijven, “overgegeven aan zijn worgengel”.

 

Uit Snikken en Grimlachjes:

De bleeke jongeling ‘t Avondt.
Aan den westertrans Zinkt,
in goud gehuld en glans,
Statig ‘t zonnelicht ter neer
In den schoot van ‘t wieglend meer,
Dat, als bloosde ‘t van verlangen,
Om het in zijn bed te ontvangen,
Inkarnaat voelt gloeien op zijn wangen